Stoppen met roken is denk ik één van de moeilijkste dingen geweest die ik heb moeten doen. Beginnen met roken was een heel stuk gemakkelijker. Het was zelfs moeilijker dan over de brokstukken van een gebroken relatie heen komen. Het voelde als het verliezen van een deel van mezelf, het verliezen van mijn allerbeste vriend waar ik dag in dag uit mee optrok. Het heeft me laten kennismaken met de splitsing tussen mijn bewuste en onbewuste zelf. Eigenlijk wil je al stoppen met roken vanaf het eerste moment. Want zeg nou zelf: iedereen vindt het zonde van het geld, iedereen vindt het stinken en iedereen merkt de lichamelijke gebreken op die erdoor ontstaan. We worden allemaal stelselmatige ontkenners. We doen net of dit er allemaal niet is. Want toegeven betekent dat je het beste kunt stoppen. We hebben dat allemaal wel eens eventjes geprobeerd, een half uurtje, een uurtje, de waaghalzen een halve dag en de echte toppers zelfs wel 24 uur. Daarna zijn we allemaal weer begonnen met het grote besef dat het gewoon missie-onmogelijk-ongewenst-en-gedoemd-om-te-mislukken is. Stoppen met roken is iets wat we heel erg graag willen, en ons overduidelijk ooit – in de verre toekomst – wel een keer gaat lukken. Maar nu gewoon nog eventjes niet. Van dat stressvolle vooruitzicht steek je snel een nieuwe sigaret op, en met het brandende uiteinde snel een volgende. Heerlijk gevoel.
Ik heb jaren stiekem gerookt. Net zoals de meesten als tiener, maar ook als volwassene. Toen ik allang mijn eigen kostwinnaar was, allang in mijn eigen huis met alleen mijn eigen spullen woonde en al flink wat jaren mocht stemmen. Ik rookte stiekem omdat het me weerhield om veel te roken. Ik had ontdekt dat ik minder behoefte aan roken had op plekken waar ik dat ook niet gewend was te doen. Zo kon ik een heel weekend bij mijn ouders zijn en helemaal geen enkele sigaret roken – met verdacht weinig moeite – om vervolgens bij het wegrijden uit de straat met het zweet op mijn voorhoofd en het kwijl uit mijn bek haastig naar die verstopte sigaretten te zoeken om er eindelijk eentje op te kunnen steken. Raampje open, vuurtje erbij, diepe zucht. Ook op weg naar het weekend kon ik me niet inhouden om de ene sigaret na de andere te roken, het vooruitzicht van een heel weekend onthouding greep me naar de keel en veranderde me in een kettingroker. En dan aangekomen verdween het monster een paar dagen in de kast en voelde ik me rustig en senang. Een mooie manier om te ontdekken hoe we vast kunnen zitten in onze eigen patronen.
Ik rookte dus stiekem. Dat betekende ook dat ik er alles aan moest doen om niet gezien dan wel geroken te worden. Dat niet gezien willen worden gaf me een hekel aan onverwachts bezoek (niet ongewoon in een dorp), omdat ik op ieder moment zomaar een sigaretje kon staan te roken in de tuin. En die kun je nog best ongezien van je afwerpen bij het horen kraken van het tuinhek, maar de typerende lucht was moeilijker te verbergen dan je zou hebben gewild. Om de geur zoveel mogelijk te vermijden stond ik steevast te roken – in de tuin, verstopt tussen de bosjes, want stel je voor dat de buren me zouden zien staan – met een muts over mijn gehele haarbos en een oude jas aan: de rook jas. Als ik me echt uitsloof trok ik ook nog handschoenen aan. Alles waar de vieze lucht in bleef hangen moest ik in een soepele beweging van me af kunnen gooien. Ook ik vraag me nu af – bij het lezen van al deze moeite – waarom dat op zichzelf genomen al niet genoeg reden was om te kunnen stoppen. We zullen het nooit weten. Verslaving laat je de meest vreemde dingen doen.
Ik probeerde regelmatig heel fanatiek te stoppen. Vaak lukte me dat de hele dag. Tot aan de avond, wanneer ik afgemat de laatste troep in de keuken opruimde. Op die momenten zweefden de sigaretten visioenen door al mijn zintuigen heen. Er was geen ontkomen aan. Verzetten is dan wat je probeert te doen, op jezelf inpraten, nog maar een koekje pakken, jezelf afvragen in welke hoek je die rottige e-smoker de dag ervoor ook alweer had gesmeten. Het lijkt allemaal zeer goed te helpen totdat je met grote ontsteltenis beseft dat je op je fiets, in de regen, alweer halverwege het tankstation bent. Om nieuwe sigaretten te kopen. De beslissing om die te gaan kopen had ik zelf absoluut niet gemaakt. Het moment dat ik mijn schoenen aandeed, de deur op slot draaide, op mijn fiets klom en de straat uit reed totaal niet meegemaakt. En ik lieg het niet. Het is echt waar. Je onbewuste neemt het roer gewoon van je over. Die maakt zich totaal niet druk over rokerslongen, versleten huid, vieze stem, gore haren, nare luchtjes. Die wil maar één ding en dat is roken. Heel primair. Heel erg terug naar de oerkant van het bestaan. En zodra je bewustzijn weer ruimte krijgt ben je al over de helft en tja, dan kun je net zo goed doorfietsen, veel weerstand heb je dan gewoon niet meer. Thuisgekomen rookte ik snel – met veel goede stofjes in mijn brein – een aantal sigaretten. Het voelde dan helemaal niet zo slecht. Het is echt waar dat je in de avond gewoon niet meer zoveel wilskracht hebt. Maar zodra ik in de ochtend mijn ogen open deed was daar de schuld en dwarsheid. Vieze sigaretten, domme trut, is het je weer niet gelukt! En dan lagen er weer sigaretten in de la verstopt waar ik me natuurlijk helemaal niet tegen kon verzetten. Daar marcheer je een uurtje stoïcijns aan voorbij, het lokkende stemmetje negerend. Totdat het negeren niet meer lukte en ik de ene na de andere sigaret op rookte. Want ja, ach, stoppen was nou toch al mislukt. Dan kunnen we er vandaag net zo goed aan vastplakken. Met het laatste restje ochtend wilskracht greep ik daarna het pakje, knipte ik alle sigaretten in kleine stukjes en flikkerde ik de hele mik-mak in de groen container. En als ik echt op dreef was gooide ik er zo een bakje water achteraan. Het was een ware opluchting. En die opluchting bleef het grootste deel van de dag bij me. Ik was gestopt met roken. Natuurlijk. Dat kon je gewoon op iedereen moment doen. Daar had je niks voor nodig, anders dan het gewoon te doen. En voordat ik het wist greep de wanhoop me naar de keel, had ik het gevoel dat ik helemaal niks kon, he-le-maal niks! – zonder af en toe een sigaretje te roken. Ik was niks zonder die sigaret. Ik had niks om handen. Ik had niks te doen. Mijn leven was leeg. Ik had geen verzetje. Geen momentje voor mezelf. Als ik even mijn werk beu was, wat was er dan voor mij te doen? He-le-maal n.i.k.s, he-le-maal l.e.e.g. Vanuit die wanhoop voelde ik geen enkel bezwaar, niks hield me tegen, ik kieperde die groen container pardoes ondersteboven en zocht gretig naar alles wat nog maar droog genoeg om te roken was. En tegelijkertijd zag ik mezelf bezig, op handen en knieën, gravend in het puin van de groen container. Ik mocht blij zijn dat ik in die tijd de hondenpoep nog in de grijze kliko gooide. Het voelde kansloos, zwerver-achtige taferelen in mijn eigen keurige-buurt-achtertuin, het was maar goed dat ik in dat huis geen buren had die zomaar langs wilden komen. Dat was maar goed ook.







0 Reacties op "Verslaving"