Missen is voor niemand onbekend terrein, het is een vaste handlanger van het leven. Missen kan gaan om spullen, lichaamsdelen, wensen, bezit, mogelijkheden, dromen, eigenlijk om alles wat er niet is en wel kan zijn. Als het hard regent en je ver moet fietsen kun je een auto missen. Als je geen geld meer hebt dan kun je een beter betalende baan missen. Als je nog maar één been hebt dan kun je het hebben van twee benen missen.
Missen kan ook in het bijzonder om mensen gaan. Het missen van mensen – van een ander specifiek mens – draagt als een tweede huid met je mee. Het gedraagt zich als een verhaallijn, met een duidelijk begin, met een midden en met een eind.
Het begin van dat verhaal is niet mooi, niet helder, niet fris. Missen in al haar hevigheid is als de combinatie van een zwaard door je nek, vier paarden om je in stukken te delen, een strop om je hoofd, een lans door je hart en een kogel door je kop. Het is als een koe die de dood in haar ogen kijkt, wetende dat zij de volgende is die daar zal hangen, en er naar uitkijkt, omdat een einde als een verlossing kan lijken, terwijl je met je diepste angsten op hetzelfde moment niks anders wilt dan wegwezen, leven en floreren, alleen weet je niet hoe. Het is de onmogelijkheid van het gevoel die je tot wanhoop drijft. Het begin van missen is gelijk aan rouw. Rouw is rauw. Rauw is ruw en schuurt je zachte kanten op tot een onmogelijke grilligheid. Je wilt weg. Je wilt blijven. Je wilt weg. Je wilt blijven. Dood. Leven. Dood. Leven. Je wilt het beide niet. Je wilt het beide wel. Het begin laat je schreeuwen om verlossing, verlossing van die strakke band om ieder afzonderlijk orgaan. Zo’n begin kan niet eeuwig duren, het helle vuur bestaat niet, het zou je ziel van binnen dood maken, terwijl je bestaan er juist op is gericht om alles in totaliteit en heelheid te laten bestaan. Ieder begin zal helen, de kwelgeesten zullen vertrekken en je voorzichtig doorduwen tot het midden van het verhaal. Dat maak je nooit bewust mee, je bent er gewoon ineens gearriveerd.
Het midden van missen is heel anders. Het is er fris. Je kunt er zijn. Er valt goed mee te leven, de dood is in geen velden of wegen meer te bekennen. Leven. Je wilt het. Het is duidelijk. De strakke band is verdwenen. Maar licht en luchtig is het er nog niet. Niet helemaal. Alsof het rolgordijn tot op twee derde is opgetrokken waardoor je wel naar buiten kunt kijken. Het midden is een zweem, een zucht wind die door je heen kan trekken, eerst nog constant, en dan steeds een beetje minder momenten van je leven in gebruik nemend. Die zucht wind draagt de gemiste met zich mee. Het is een golf gevoelens die door je borst heen wervelt en tegen je strottenhoofd drukt, alsof het zeggen wil ‘laat me eruit’ en ‘geef me terug aan de wereld’. Zelfs als je dat zou kunnen dan volgt er in een volgend moment een nieuwe zucht. Weer een zucht die jouw gemiste met zich meedraagt. De gevoelens zijn zurig. Ze zijn niet fraai. Ze manen je even tot stilstand, je beweging stokt in het moment. Het haakt aan al je herinneringen, vist ze pardoes uit de diepten tevoorschijn en laat je herbeleven wat je zo hard probeert te vergeten. Want het denken aan iemand die je mist – jouw gemiste – is niet wat je wilt, het is in het midden van het verhaal geen goed gevoel. Je wilt daar helemaal niet zijn. Je koestert een vurige wens om een donker kamertje te hebben, met dikke muren, zonder ramen en een zware deur, om al je herinneringen in te laten verdwijnen. Het midden van het verhaal schrijft je voor hoe je kunt vergeten, hoe je kunt ontkennen, hoe je stukjes van je leven als een puzzelstukje uit het geheel kunt halen, om deze zonder sporen in dat kamertje te plaatsen. Het is de enige manier. De enige manier om toe te blijven groeien naar totaliteit en heelheid, naar een veilig en comfortabel bestaan. Sommigen kunnen het heel goed. Die hebben een kant-en-klaar kamertje, helemaal gereed, deur wagenwijd op. Ze flikkeren alles er met één glooiende beweging in en sluiten de deur om niet meer terug te kijken. Anderen moeten nog aan het bouwen van het kamertje beginnen. Anderen komen er nooit aan toe. Het is ook niet erg, er is geen methode voor het midden van het verhaal, er bestaat geen goed recept. Dat maakt het ook zo eenzaam, je zult het helemaal op je eigen unieke manier moeten doen. Wat we allemaal met elkaar delen is die zucht, die windvlaag die de gemiste met zich meebrengt. Die waait ons allemaal voorbij. Die zorgt bij iedereen voor een tijdelijke knauw, een korte oprisping, een langere periode van misselijkheid, een verkramping aan de binnenkant van je huid, een harde kneep in je maag, een stomp in je zij, een open ventiel in je borstkas. Die zucht blijft waaien tot aan het einde van het verhaal.
Het einde is geen afgebakend geheel. Het komt niet ineens tot stilstand om volledig te verdwijnen. Het einde is het moment waarop je herinneringen er weer mogen zijn. Het moment waarop je een klapstoel buiten je kamertje wilt zetten, de deur zal openen en met liefde alles kunt ontvangen wat daar al die tijd op je heeft liggen wachten. Het einde is geen einde van de gemiste, slechts het einde van de pijn, de zuchtjes wind zullen je vanaf dan alleen nog maar bekoren.







0 Reacties op "Ik mis je"